Toen de Nazi's Nederland in 1940 binnenvielen, heerste er grote onzekerheid binnen de verschillende jeugdbewegingen van Nederland. In Duitsland hadden de Nazi's, na de machtsovername van januari 1933, alle Scoutingorganisaties verboden en de jeugd gedwongen deel te gaan uitmaken van de Hitler Jugend (voor jongens) en de Bund Deutscher Mãdel (voor meisjes). In het door hen geannexeerde Oostenrijk was Scouting onmiddellijk verboden en de leiding was naar het concentratiekamp Dachau gezonden. Hetzelfde lot onderging de Tsjechoslowaakse organisatie terwijl in Polen Scouting onmogelijk werd gemaakt en verboden. Feitelijk verwachtte men in Nederland niet anders. Het werd een angstig afwachten, maar in eerste instantie gebeurde er niet veel. De Nederlandse padvind(st)erverenigingen bleven zo goed als het ging verder functioneren.

Verboden

Op 29 augustus 1940 deelde de Nationale Padvindersraad op last van de Bevelhebber mede dat tot nader order alle buitenactiviteiten met ingang van heden verboden zijn. Hieronder vallen: kamperen, zwerven (hikes), verkennersspelen enz. Spelen op afgesloten speelplaatsen, bijvoorbeeld bij troeplokalen en scholen, vallen niet onder dit verbod, In de zomer van 1940 en 1941 gaan diverse groepen ook nog op kamp.

De Duitse Nazi's waren van mening dat Nederland feitelijk nog tot het Duitse Rijk diende te behoren, door hun gezamelijke germaanse wortels. In de jaren 1940/1941 begon men maar vast met "De Gelijkschakeling", het streven naar eenheid van het Nederlandse volk, om het als geheel makkelijk bij Duitsland in te kunnen lijven. In dat streven naar eenheid werden eerst alle politieke partijen en de daarbij behorende jeugdorganisaties opgeheven (behalve het Zwart Front en de NSB met haar National Jeugdstorm (NJS)), daarna was het de bedoeling om ook de Nederlandse jeugd "gelijk te schakelen", door één Nederlandse jeugdorganisatie te creëren. De leiding van alle niet-politieke jeugdorganisaties (waaronder scouting) werd uitgenodigd voor een vergadering waarop gesproken zou worden over de toekomst van de "aan haar leiding toevertrouwde jeugd."  Ook de Nationale Padvinders Raad gaf gehoor aan deze oproep. De leiding van de Nationale Jeugdstorm zette de plannen uiteen. Men stelde voor dat alle organisaties, inclusief de NJS, zich zouden ontbinden om dan daarna samen een echte, zuiver Nederlandse jeugdbeweging op te richten. Tot verbazing van de NJS was men niet enthousiast en bleken meerdere bijeenkomsten nodig. De Nationale Padvinders Raad weigerde iedere medewerking. Overigens werd niet door iedereen de opinie gedeeld dat het oprichten van één nationale jeugdbeweging een slecht idee was. Eén van hen was Ernst Zilver, leider bij de Amsterdamse Jan van Nassaugroep. Na de Duitse inval stak hij - oorspronkelijk zeer oranjegezind, maar daarin erg teleurgesteld na de vlucht van het Koninklijk huis naar Engeland - zijn sympathieën voor de NSB niet onder stoelen of banken. Toen De Nederlandse Padvinders voet bij stuk hield, en niet wilde opgaan in één grote jeugdbeweging, besloot hij met zijn hele groep (of wat daar inmiddels nog lid van was) het lidmaatschap van koepelvereniging NPV op te zeggen en over te stappen naar de NJS. Landelijk gezien waren er onder de padvinders echter maar heel weinig overlopers.

Op 2 april 1941 nam de bezetter het besluit tot het verbod van Scouting en op 9 april verscheen in de dagbladen een A.N.P.-bericht dat de scouting organisaties verboden en ontbonden waren. In het bericht stond onder meer als reden genoemd dat de Nederlandsche padvinders (...) centraal vanuit het internationale padvindersbureau te Londen geleid werden en een actief instrument der Britsche culturele en politieke propaganda waren (zie afbeelding).

Opgepakt en gesloten

De topleiders en leidsters van de Vereniging de Nederlandse Padvinders, de Katholieke Verkenners en het Nederlandse Padvindstersgilde en enkele nog bestaande "vrijbuiters-organisaties", oa de Vierkant en Driehoek Clubs, werden van hun bed gelicht. Opgesloten en verhoord door de Gestapo en de Sicherheitsdienst. De Nationale Hoofdkwartieren werden verzegeld. Administratie, archieven en andere zaken werden in beslag genomen, verwijderd en verbrand. Ook de Scout Shops en de Gilde Winckels werden gesloten en alle goederen verwijderd en vernietigd. In enkele plaatsen werden manschappen van de marechaussee door de Sicherheitsdienst ingeschakeld. Deze wisten dit kort van te voren en daar er ook onder hen padvinders of oud-padvinders waren haalden zij, voor de officiële dag van inbeslagname, al een enkele Scout Shops leeg. Alles werd opgeslagen in de marechausseekazerne en kwam bij de Bevrijding weer beschikbaar. (Dit gebeurde bv in Breda). Dit uiteraard niet zonder risico.

De groepshuizen werden verzegeld. De meeste groepen hadden dit alles min of meer zien aankomen en hadden hun tenten en ander materiaal verdeeld over de leden, zo dat deze het thuis konden bewaren. De gebouwtjes, met wat er nog in lag, werden in beslag genomen en verzegeld en later, met inhoud overgedragen aan de NJS of de Duitse Hitler Jugend. Die gooiden al het niet bruikbare in het vuur en zo ging er veel waardevols verloren. Van de padvinders kon men zeggen: men stond er bij en men keek er naar. Was kwaad zo niet woedend maar machteloos. Hier en daar ging een groepshuis plotseling in vlammen op zoals in Arnhem.