Op 2 april 1941 nam de bezetter het besluit tot het verbod van Scouting en op 9 april verscheen in de kranten een bericht dat de scoutingorganisaties verboden en ontbonden waren. 

De landelijke leiding van de scoutingorganisaties die er op dat moment bestonden werden  gearresteerd, vastgezet en verhoord. De hoofdkantoren werden verzegeld. Administratie, archieven en andere zaken werden in beslag genomen, verwijderd en verbrand. Ook clubgebouwen werden verzegeld. Desondanks bleven sommige scouts ondergronds toch doorgaan met hun activiteiten. voor de jongste leden was dit te gevaarlijk, maar de oudere scouts bleven elkaar ontmoeten en bleven bijeenkomsten houden. Meestal in een klein groepje bij iemand thuis. Het verboden uniform werd ter plekke uit de tassen gehaald en aangetrokken. Deze bijeenkomsten werden af en toe bezocht door één van de leiders of leidsters en zo hield men contact.